Olympisch goud voor Nederland? Dit staat er dan op je bankrekening (en het is geen ton zoals in Italië)
In dit artikel:
Nederlandse olympiërs krijgen van NOC*NSF een vaste medaillebonus na de Spelen, die voor alle wintersportdisciplines (langebaan, shorttrack, snowboard) gelijk is aan die van de zomerspelen. Sinds Parijs 2024 is het systeem aangepast: sporters ontvangen nog maar één uitkering — het bedrag dat hoort bij hun best behaalde medaille — en de structuur is veranderd om ook paralympische sporters beter te belonen. Over de premie moet gewoon belasting worden betaald.
Praktijkvoorbeeld: schaatsster Jutta Leerdam, die goud en zilver won, kreeg alleen het bedrag voor haar hoogste medaille (30.000 euro). Bij teams, zoals de shorttrackestafette met Joy Beune, Antoinette Rijpma‑de Jong en Marijke Groenewoud, valt de bonus per atleet lager uit dan bij individuele plakken.
Internationaal is Nederland bescheiden: sommige landen betalen veel hogere vergoedingen (Singapore geeft voor goud meer dan zes ton; Polen keert circa 300.000 euro uit en voegt extra’s toe zoals een auto of appartement; Italië doet ook tonnen). Andere landen — onder meer België, Groot‑Brittannië, Noorwegen en Zweden — kennen geen financiële premie en laten het bij de eer zelf.
Voor veel Nederlandse wintersporters is die landelijke bonus echter niet de belangrijkste inkomstenbron. Sponsordeals, commerciële samenwerkingen en startgelden kunnen vaak meer opleveren, zeker voor bekende schaatsers. De echte waarde van een medaille ligt daarom deels in de toegenomen zichtbaarheid: miljoenen televisiekijkers zien topsporters, wat hun onderhandelingspositie richting sponsoren versterkt (een voorbeeld uit shorttrack: zo’n 3 miljoen keken naar de 500 m-finale met de broers Jens en Melle van ’t Wout).
Kortom: de medaillebonus is in Nederland vooral symbolisch en politiek gestuurd — bewust gematigder en met een nadruk op bredere verdeling van erkenning — terwijl commerciële inkomsten en exposure vaak zwaarder wegen voor de portemonnee van topsporters.