Katinka's vader heeft een ingewikkeld oorlogsverleden
In dit artikel:
Katinka vertelt over haar vader Bob (schuilnaam Peter Vos), een man die voor haar altijd vooral hartelijk en charmant was, maar wiens oorlogsgeschiedenis een schaduw wierp over het gezin. Bob, geboren in 1914 en veel ouder dan Katinka’s moeder, vertelde zijn dochters pas in 1976 — toen Katinka negen was — voor het eerst over zijn rol in het verzet, met de dringende opdracht: “Ik heb jullie dit verteld, kunnen jullie dit voor de rest van je leven voor je houden?” Dat geheim legde een zware last op het gezin en verklaart ook zijn levenslange aversie tegen Duitsers en tegen onverwachte oorlogsgerelateerde prikkels.
Tijdens de oorlog vervalste Bob persoonsbewijzen en distributiebonnen, hielp hij Joodse onderduikers en nam hij mensen in huis. Zijn netwerk was omvangrijk, maar zijn arrestatie vanwege een vals persoonsbewijs leidde tot een fatale loting: in zijn jas wordt een notitieboekje met een naam en een Limburgse plaats gevonden. Onder dwang en marteling houdt hij de informatie lang geheim; pas als een Joodse moeder met twee kinderen wordt binnengebracht en hun kinderen worden bedreigd, geeft hij – grotendeels tegen zijn wil – details prijs. Het gevolg is dat een grote bijeenkomst van verzetsmensen in Weert wordt verstoord; velen worden opgepakt en overleven de oorlog niet. Na de oorlog krijgt Bob de reputatie van verrader en is hij door medeverzetslieden, die hem wantrouwden, zelfs doelwit van een aanslag die zijn eerste vrouw levenslang verlamde. Politie en publiek vernederen hem na de bevrijding openlijk door hem met een bord “Ik ben de verrader van Weert” door de stad te paraderen.
Een belangrijke getuige is Selma van der Perre (later auteur van Mijn naam is Selma), die Bob later expliciet bedankt: “Bob heeft mijn leven gered.” Selma, zelf gevangene in Ravensbrück, bleef na de oorlog het contact met Bob onderhouden en pleitte voor hem. Desondanks woog voor Bob het idee dat zijn verklaring tot doden had geleid zwaarder dan de vele levens die hij mogelijk had gered.
Het oorlogsverleden kraakte hem: Bob werd gedeukt, prikkelbaar en depressief, kreeg longemfyseem en stierf toen Katinka vijftien was. Zijn verhaal bleef onuitgesproken binnen het gezin en dook soms op onverwachte momenten in Katinka’s leven — bijvoorbeeld toen een strafrechtcollege een zaak behandelde waarin haar vader was betrokken, wat haar diep raakte. De onvolledige kennis over hoe en waarom dingen gebeurd waren bracht haar later ertoe zelf onderzoek te doen.
Jaren later, gestimuleerd door een verzoek van Selma (die op hoge leeftijd wilde dat haar boek in Nederland verscheen) en na therapie bij Stichting Centrum ’45 om met intergenerationele trauma’s om te gaan, besloot Katinka het dossier van haar vader te onderzoeken. Ze dook in archieven zoals het Centraal Archief Bijzonder Rechtspleging, sprak met nazaten van verzetsmensen, en vond brieven en documenten die de context verrijkten: Bob had een grote rol in het verzet, werd overspannen en vroeg tijdelijk afstand, maar werd door het verzet teruggeroepen toen operaties misliepen. Een verzetsvriend voelde zich schuldig omdat Bob in een kwetsbare fase toch weer ingezet werd — een ontdekking die voor Katinka veel verklaarde en haar perspectief op de ’verraad’-aantijgingen veranderde.
Tijdens het onderzoek kreeg Katinka tegenslagen — ze werd aangereden en liep niet-aangeboren hersenletsel op, lag in coma en moest revalideren — maar hervatte uiteindelijk het schrijven over haar vader. Het onderzoek bracht ook trots: naast het tragische deel van zijn verhaal ontstond een beeld van een man die veel mensen had gered en die onder extreme druk soms keuzes maakte met fatale gevolgen.
Katinka benadrukt dat de werkelijkheid vaak niet in zwart-wit is te vangen. Haar project is zowel een poging haar vaders naam en daden in context te plaatsen als een manier om intergenerationele pijn te verwerken. Ze vindt het van belang dat zulke complexe verhalen bewaard blijven nu de generatie die de oorlog heeft meegemaakt uitstervend is.