Hoe feministisch was de GirlPower-beweging uit de jaren 90 eigenlijk?
In dit artikel:
Als kind droeg de schrijfster vol trots een Spice Girls‑shirt en schreef ze "girl power" in haar agenda, zonder zich te beseffen dat die slogan oorspronkelijk voortkwam uit de punk‑feministische Riot grrrl‑beweging rond bands als Bikini Kill. In Girl on Girl onderzoekt journaliste Sophie Gilbert hoe popcultuur van de jaren negentig en nul een generatie vrouwen vormde — en tegelijk tegen zichzelf keerde. Gilbert, actief voor The Atlantic en auteur van eerder werk over vrouwelijkheid, laat zien dat wat ooit een activistische kreet was, door mannelijke managers en marketing werd omgevormd tot een verkoopbaar, ongevaarlijk product.
De analyse bestrijkt muziek, film, televisie, mode, roddelbladen en commerciële merchandising. Gilbert traceert de kentering: Riot grrrl wilde alternatieven voor racisme, seksisme en klassendiscriminatie, maar de Spice Girls‑versie van girl power beperkte zich tot plezier, consumentengeluk en individuele zelfverrijking. Het commerciële succes was enorm — lucratieve deals met merken als Pepsi, Polaroid en Hasbro illustreerden hoe feministische taal werd ingezet om winst te maken. Hedendaagse voorbeelden op goedkope webshops tonen dat het label ‘Girl Power’ vaak slechts een goedkoop label is op massaproducten.
Gilbert legt uit hoe vele culturele producten van toen eendimensionale boodschappen uitzonden: seks werd gepresenteerd als handelswaar, objectivering als empowerment en de heteronormatieve mannelijke blik bleef centraal. Films en komedies van die tijd portretteerden seksueel gedrag van mannen als vanzelfsprekend recht; vrouwen werden gereduceerd tot karikaturen: hyperseksuele verleidsters of preutse obstakels. In de mode schoven supermodellen van de jaren tachtig naar een voorkeur voor jongere, minder mondige meisjes — een esthetiek die dunheid en kwetsbaarheid normaliseerde.
De schrijfster koppelt die cultuur aan de hedendaagse terugslag: de opkomst van seksisme‑influencers, tradwives en online manosphere‑ideologieën die misogynie normaliseren. Ze wijst 2007 aan als symbolisch slecht jaar: politieke schaduwen naast mediagedreven neergaande levens van beroemdheden als Anna Nicole Smith, Britney Spears en Amy Winehouse, wier privé‑crises publiek werden gemaakt en tot amusement verworden. Die spectacleuze vernedering had niet alleen effect op de betrokken beroemdheden, maar werkte ook door in het zelfbeeld en de verwachtingen van jonge vrouwen die toekeken.
Persoonlijke reflecties in het stuk geven kleur: de auteur en haar generatiegenoten zijn ouder geworden, maken andere keuzes en herkennen nu beter de interne vooroordelen die ze als jongere aannamen. Waar vroeger roddel‑TV en modedwang onkritisch werden geconsumeerd, is er nu meer bewustzijn en kritisch gesprek. Dat collectieve herkenningsvermogen en de stemmen van denkers zoals Gilbert zelf vormen volgens de auteur een tegengif tegen de gecommercialiseerde en vernauwde variant van girl power.
Gilbert erkent dat haar betoog vaak binnen een binair mannen‑vrouwenkader blijft steken, maar stelt dat die kaders destijds dominant waren en dus noodzakelijk voor haar analyse. Het boek wil niet alleen verklaren hoe populaire cultuur vrouwen tegen zichzelf keerde, maar ook laten zien dat het herkennen van die mechanismen ruimte biedt voor reflectie en verzet. De conclusie is wederkerig: hoewel de cultuur van de jaren negentig en nul diepe sporen heeft nagelaten, hebben de ervaringen en het gesprek van later generaties ook geleid tot scherpere kritiek en meer collectieve tools om misogynie te onderkennen en tegen te gaan.